Het ongelooflijke verhaal van Hannes Weiss

Onderduiken 

Mijn vader was een groot circusartiest, acrobatiek van het hoogste niveau. Zijn sprongen waren superieur en het circus sloot ook altijd af met mijn vaders optreden. Hij en m'n tante Anna, zijn zuster, waren toen een begrip in de circuswereld. Zo heeft mamma ook tatta (vader) leren kennen, in het circus, toen ze haar handel aan de circusmensen probeerde te slijten.

Ik had vier zusters en nog twee broers. Naar school gingen we niet. Wij leerden van de ouderen, wat zij wisten was doorgegeven van hun ouders, en wij leerden weer van hun. Van ouders op kind, op kleinkind, zo ging dat, en nu nog vaak.
Tatta stierf in 1942, in de oorlog, ik was toen een jaar of 14. We waren door zijn ziekte in Den Haag gaan wonen in een huis. Ik werd toen leider van het gezin. Toen de razzia plaatsvond, konden we vluchten door een gat dat we in de muur die onze huizen scheidde hadden gemaakt, via het dak van onze buurvrouw.

Wij trokken van hier naar daar, en toen ik weer eens op pad was voor eten, werd ik gepakt door de politie en meegenomen naar het bureau in Zutphen. Ik kreeg een pak slaag en ze bleven me slaan en schoppen en maar doorvragen naar de familie. Maar ik heb niets verraden. Dat had ik twee dagen volgehouden en toen werden mamma en de kleintjes bij mij in de cel gebracht. Ze had zich aangegeven omdat er geen andere uitweg was. Ze zei, als er één gaat, gaan we met z'n allen.

We moesten naar Assen om naar Westerbork te gaan. De trein was al bomvol, en we zijn de dans ontsprongen omdat dezelfde oudere man, die mij in de cel brood kwam brengen tegen ons zei, als ik m'n pet afneem, springen jullie in die andere trein. Zo gauw ik kans zag, heb ik mamma en de kleintjes in die andere trein geduwd. Een halte voor Vorden zijn we uitgestapt en naar onze woonwagen, die daar gelukkig nog stond, gelopen. We hebben wat spullen meegenomen en ons toen opgesplitst, mamma met de twee meiden naar Amsterdam en ik met de kleintjes naar Den Haag.

We zouden elkaar in Den Haag weer terugzien. We vonden daar een huis en toen kregen we weer een inval van de Duitsers. Mijn broer en ik zaten onder de vloer verstopt en mamma en de anderen waren ergens buiten ondergedoken. Na twee dagen kwamen we weer boven en we hadden natuurlijk een ontzettende honger. M'n zuster ging voor eten zorgen. Ze gooide het eerste de beste winkelraam in en stal twee hele kazen, wij natuurlijk dolgelukkig. We zijn toen bij een zuster van mamma ondergedoken en daar waren we veilig.

's Avonds ging ik wel eens naar buiten, dan trok ik vrouwenkleren aan. Op een avond, na zo'n wandeling, wordt er op de deur geklopt en hoorde ik dat m'n oom en tante in de bioscoop waren en dat de politie die hele buurt had afgezet. Ik trok zo’n lange jas aan, zodat ik eruit zag als een politieagent in burger. Ik deed zo'n NSB speldje op met een hakenkruis, dat ik ooit had gevonden en bewaard, en ik ging naar de bioscoop. Naar binnen gelopen, de Hitlergroet gebracht en opdracht gegeven om de bioscoop af te sluiten.

Ik loop die zaal in en m'n oom en tante konden hun ogen niet geloven. Ik, hun neefje, was bij de partij. Ze waren echt verslagen. Ik commandeerde ze om op te staan. Een van de jongens begon me uit te schelden voor vuile hond en verrader. Ik riep dat hij z'n mond moest houden en gaf hem een paar oorvijgen. Ik neem jullie allen gevangen, opstaan en meekomen. M'n tante hoorde ik achter me jammeren. Buiten vertelde ik de soldaten dat deze mensen gevangen genomen waren en dat ik ze persoonlijk wou ondervragen. Twintig meter verderop zei ik tegen mijn oom en tante, gaan jullie hier als een verliefd stelletje knuffelen, en langzaam richting thuis bewegen. Tegen de jongens zei ik, nu ieder voor zich en lopen. Ja, je moest handelen, naar de situatie waarin je je bevond. We kunnen er nu om lachen.

Hannes Weiss